WELSTAND : BEKIJK HET MAAR (GOED) !
“Over smaak valt niet te twisten”, is een bekend gezegde. Maar is dat ook zo ? Het voorbeeld dat hier vaak ten tonele wordt gevoerd is de welstandsmaterie. Mensen vragen zich soms vol verbazing af hoe zo’n lelijk gebouw er toch ooit heeft kunnen komen.
Voorop gesteld dat de welstandscommissie haar werk serieus neemt, kan worden gesteld dat over smaak best valt te twisten. De één vindt een bouwwerk nu eenmaal mooi en de ander juist niet. De reden die aan dat oordeel van de waarnemer ten grondslag ligt is altijd subjectief.
Kijken wij naar de wettekst, dan valt direct op dat nergens wordt gesproken over mooi of lelijk.
Dat is dan ook niet het criterium van de Woningwet (Ww). Artikel 12 lid 1 Ww luidt :
Het uiterlijk en de plaatsing van een bouwwerk (…), zowel op zichzelf als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, mogen niet in strijd zijn met redelijke eisen van welstand (…). Hierbij valt een aantal zaken op, namelijk :
- het gaat niet alleen over het uiterlijk maar ook over de plaatsing van een bouwwerk;
- het betreft niet alleen het bouwwerk “an sich”, maar tevens in verband met de omgeving;
- de te verwachten ontwikkeling van de omgeving van het bouwwerk is ook een parameter;
- uiterlijk en plaatsing van het bouwwerk mogen niet in strijd zijn met redelijke eisen van welstand.
De criteria waaraan een bouwwerk wordt getoetst zijn neergelegd in de, volgens artikel 12a lid 1, onderdeel a Ww, door de gemeenteraad vastgestelde welstandsnota, die beleidsregels moet inhouden waarin in ieder geval criteria zijn opgenomen die B & W toepassen bij hun beoordeling of er sprake is van strijd met redelijke eisen van welstand.
Het beoordelen van een bouwwerk aan de hand van de welstandsnota met criteria is nog wel realiseerbaar. Moeilijker is de onder 3 gestelde voorwaarde, waarbij er van wordt uitgegaan dat er een ontwikkeling van de omgeving van het bouwwerk wordt verwacht. Wat moet worden verstaan onder de omgeving van het bouwwerk en tot hoever strekt zich dat uit ? Direct ernaast, tot 25 meter vanaf het betrokken bouwwerk of nog verder ? Mijns inziens heeft de wetgever hier de directe omgeving van het bouwwerk voor ogen gehad.
Over het vierde criterium “strijd met redelijke eisen van welstand”, ontstaat altijd de meeste discussie.
Dat is in het verleden zo geweest en dat zal in de toekomst ook wel zo blijven. Het is nu eenmaal moeilijk objectieve criteria op te stellen voor een zo subjectieve zaak als welstand. Door de invoering van de verplichte welstandsnota moet dit, als het goed is, echter een stuk minder subjectief zijn geworden.
De huidige Woningwet bevat over de welstandsmaterie echter een aantal onduidelijkheden en omissies. Hier wil ik de aandacht vestigen op artikel 1 lid 1, onderdeel h, te weten de standplaats.
Deze is gedefinieerd als : “een kavel, bestemd voor het plaatsen van een woonwagen (…)”. Volgens artikel 12 lid 1 Ww mag “het uiterlijk en de plaatsing van een standplaats niet in strijd zijn met redelijke eisen van welstand”. De kavel zélf kan natuurlijk niet aan deze eisen voldoen maar slechts de op de kavel geplaatste woonwagen. Het was dan ook beter geweest als de aanhef van artikel 12 lid 1 Ww had geluid : “Het uiterlijk en de plaatsing van een gebouw of bouwwerk, geen gebouw zijnde, (…) mogen niet in strijd zijn met redelijke eisen van welstand”.
Een ander fenomeen, dat met de invoering van de nieuwe Woningwet zijn intrede heeft gedaan, is de
in artikel 1 lid 1, onderdeel s genoemde “stadsbouwmeester”.
Is er bij de welstandscommissie nog sprake van een onafhankelijke commissie die aan B & W advies uitbrengt ten aanzien van de vraag of het uiterlijk of (overeenkomstig artikel 12 lid 1 zal én zijn bedoeld) de plaatsing van een bouwwerk (…) in strijd is met redelijke eisen van welstand, in gemeenten met een stadsbouwmeester wordt dit al veel problematischer.
Deze komt na rijp beraad met zichzelf kennelijk tot de conclusie dat het aan hem/haar voorgelegde bouwwerk (…) niet in strijd is met redelijke eisen van welstand.
Dit heeft er in ieder geval de schijn van op gespannen voet te staan met één van de doelstellingen van de nieuwe Woningwet, namelijk het transparanter maken van het welstandstoezicht.
Ik ben dan ook van mening dat de stadsbouwmeester altijd lid moet zijn van de welstandscommissie en niet als een soort “unus-rechter” opereert.
In de nabije toekomst zal blijken of de huidige regeling van het welstandstoezicht in de Woningwet een adequaat antwoord is op deze ingewikkelde materie die volgens de meesten nog steeds een hoog subjectief in plaats van objectief gehalte bevat.
Uw Reactie?
U kunt ons uw mening of reactie laten weten via het onderstaande formulier.
Wij zullen de reactie controleren en eventueel bij het bericht plaatsten.